Klein Hoefblad
Tussilago farfara
Geel is de kleur van de polder. Geel is de kleur van de paardebloem, van het koolzaad, van de moerasandijvie. Geel is de kleur van het klein hoefblad, dat al in de winter met haar bloei kan aankondigen dat het straks weer lente wordt. Op zonnige dagen stralen haar bloemen je tegemoet, die op een merkwaardige schubbige steel zitten. Tussen de schubben bevindt zich een wollig spinsel, een goede bescherming tegen het wisselvallige voorjaarsweer. Blad is nog niet te herkennen op een enkele uitzondering na. Dat verschijnt later wel, in april bijvoorbeeld. Eerst wordt er voor de voortplanting gezorgd. Wind en misschien de schaars aanwezige insecten zorgen voor de bestuiving.

Ook onder de grond gaat ze voortvarend te werk via haar wortelstok. Zo verovert ze grote terreinen. Bij voorkeur bodems met een wat rijkere grond met kalk erin. Daaraan is in Almere geen gebrek zodat iedereen wel eens kennis moet maken met haar. Als pioniersplant is ze bijzonder gesteld op gerommel in de grond en ook aan die eis wordt ruimschoots voldaan in deze stad. Wordt de grond een aantal jaar met rust gelaten dan verdwijnt ze. Bijvoorbeeld in grasbermen van 3 jaar oud.
Na de bloei gaan de hoofdjes hangen. Zijn de nootjes rijp dan richten de hoofdjes zich weer op, die er dan uitzien als pluizenbollen. Elk vruchtje is voorzien van spierwitte haren. Een hoofdje kan wel honderd nootjes of vruchtjes dragen. De wind of een blazend kind weet hier wel raad mee.
De veroveringsdrift van het klein hoefblad heeft bij de aanleg van de Noordoostpolder nogal voor problemen gezorgd in de landbouw. Ook al omdat het oorlogstijd was kon men ze slecht bestriijden. Na de drooglegging van de Flevopolders heeft men vanuit vliegtuigen riet ingezaaid. Tussen het riet konden ze zich niet vestigen. Nadat het riet door ontwatering en ploegen verdwenen was, was ook de bodem zover gerijpt dat deze geen gelegenheid meer bood voor zo'n explosieve vestiging als in de Noordoostpolder.
De naam hoefblad is waarschijnlijk een verbastering van hoestblad. De Latijnse naam Tussilago betekent hoestverdrijvend. De plant werd en wordt voor dit doeleinde gebruikt. Verse bladeren werden gekneusd en op pijnlijke gewrichten gelegd. De bladeren zijn aan de onderzijde witviltig. Jonge bladeren zelfs aan beide zijden. Dat witte spinsel heeft misschien gezorgd voor de tweede naam farfare of meeldrager. Dit spinsel werd vroeger in tondeldozen gebruikt. Zodat zo'n algemeen plantje toch noch algemene toepassingen blijkt te hebben.
Marian Beugelink